DE BROCKENHOEVE
Het verhaal van de Brockenhoeve beginnen we met een oude akte, voor zover we weten de oudste akte over de Brocken, uit 1307:
Schepenen van Oesterwijc oorkonden dat Arnold, investiet van de kerk van Oisterwijk, Hubert van Enschot, als rector van deze kerk, Hendrik van Baex, Arnold Hixpor en Willem de Fine (van den Eynde), de drie laatstgenoemden optredend namens de parochianen, verkocht hebben aan Hendrik, koster van de kerk van Oisterwijk, een stuk allodiaal goed, genaamd Kortakker, gelegen in Berkel, tussen de Koppel en Heukelom, alsmede een aantal cijnzen inTilburg en in Haaren (censum novem solidorum et sec denariorumtalis pagamenti cum quali census domini ducis Brabancie solviturannuatim, censum inquam qui solvitur in Westilborch, videlicet a Sigilberto dicto Stappe III s(olidi) d(enario) minus, item a Nicholao dicto Achterloe III s(olidi), item a Melis Hescel X d(enarii),item ab Elizabet uxore Godefridi dicti Nichole IX d(enarii), item ab heredibus Brocken II s(olidi), item censum in Haren ab heredibus Sticher XVIII d(enarii), item a Nicholao dicto Nauweliis IIII s(olidi) denarium minus, item a Iohanne dicto de Beluere XVIIId(enarii) cum tali pagamento quale suprascriptum est, item Iohannes de Beluere VI s(olidi) pecunie usualis. Datum anno Domini MoCoCoCo septimo, in vigilia sancti Iacobi apostoli. Nos Henricus Bogart en Lambertus dictus de Goetshaluen, scabini in Oesterwiic. Camps nummer 748. Oorkonde 1307 juli 24, Brussel.
Deze oorkonde uit 24 juli 1307 (Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant, nr. 748) is een belangrijk lokaal-historisch document. Het regelde de verkoop van bezittingen door het kerkbestuur van Oisterwijk aan hun eigen koster, Hendrik.
Deze akte is het bewijs, dat de familie Brocken in 1307 al een gevestigde familienaam was Omdat er sprake was van de erven Brocken, was de oorspronkelijke stamvader met die naam kort daarvoor overleden en was de grond overgegaan op zijn vrouw en daarna op zijn kinderen, die nu samen de 2 schellingen cijns aan de koster moesten betalen. Dit is een van de alleroudste vermeldingen van deze familienaam in de regio.
In verband met de Brokkenhoeve is het misschien opmerkelijk, dat in Gesel bij Helvoirt, waar de oude molen heeft gestaan, ten noorden hiervan een klein natuurlijk en agrarisch gebied ligt, dat nog steeds de "Brokkenbroek" heet. Wanneer deze naam is ontstaan is niet duidelijk, maar het is zeker de plaats zijn waar de hoeve en het land van Wouter Broc heeft gelegen.
Een 'hoeve' was in de middeleeuwen niet zomaar een huis, maar een groot, rendabel landbouwbedrijf met omliggende akkers, weiden en rechten.Het werd in die hoedanigheid als het om landelijke personen ging ook wel ridderhofstad genoemd. Bij de Brockenhoeve was dat het geval.
De hoeve was eigendom van WOUTER (WOLTERUS) BROC, die bij zijn naam vaak de toevoeging "DE GHESELLE" kreeg vanwege de plek, waar zijn hoeve stond.
De hoeve bevond zich op de grens van de buurtschappen Gijzel, Biezenmortel en Udenhout. Daarom vielen de gronden in de akten deels onder Oisterwijk, Helvoirt en Haaren. De huidige Hooghoudsestraat, waar vroeger de hoeve stond vormde historisch het knooppunt ussen deze parochiegrenzen.
Volgens een register uit het midden van de 15e eeuw lagen de Udenhoutse bezittingen van de hoeve op Hooghout allemaal aan elkaar en besloegen zes mudzaad land. Een mudzaad was achttien lopense land, of anderhalve bunder. De hoeve was ongeveer negen bunder groot. De hoeve bezat ook nog enkele percelen die verder weg lagen, vier beemden in Helvoirt, bij elkaar acht bunder groot, een bunder beemd in Haaren op Belveren en zes bunder heide bij Giersbergen.
Wouter de Gheselle was dus voor 1307 overleden. De hoeve ging dus volgens vruchtgebruikrecht over op zijn vrouw Helwigis. Zij runde daarna de hoeve samen met haar zoon JOHANNES DE GHESELLE en zijn vrouw BESSELA.
Toen enkele jaren later ook Helwigis overleed , nam Johannes de hoeve over. De erfenis van Wouter was al verdeeld onder de vijf kinderen: Johannes, Helwigis, Jan Wouter , Aleijdis en Engelberna.
Johannes nam met zijn vrouw Bessela de hoeve over, terwijl zijn ongetrouwde zus Helwigis in het er bij gelegen huis moccht wonen.
De broer van van Johannes was JAN WOUTERSZ BROC. In 1311 kocht hij de windmolen bij Helvoirt.
o " Jan II, hertog van Brabant, bekrachtigt de verkoop van de windmolen van Hellevoert die op die herstraet steet met der hofstat ende den husekene dair neven gelegen dair die molenare in te woenen pleech, door de rentmeester van Brabant en de schout van 's-Hertogenbosch (Janne van den Plasche, onsen brueder) aan Jan Broke, welke molen eerst aan Gheenken Visscher behoorde. Dit was gedaen ende gegeven te Bruessel in sinte Michiels avende, int jaer ons Heeren doe men screef dusentch driehondert ende elleve. 1311" (september 28 - afschrift Camps nr 855.)
Van de schout van 's-Hertogenbosch, Jan van der Plasch, de vertegenwoordiger van de Hertog, deed hij zaken. Het gaf aan hoe invloedrijk de familie al was. Van de vorige molenaar Gheenken Visscher kocht Jan Wouter ook nog wat grond, die hij verkocht aan Jan van der Plasch.
o 1312 februari 11 - afschriften Schepenen van 's-Hertogenbosch oorkonden dat Jan de Gheselle, zoon van Wouter de Gheselle, goederen te Leendonch, vroeger eigendom van Gerard Piscator (Visser) van Oesterwijc en 7 bunder weide in het broek tegenover de woning van de priester van Heluoert, belast met de hertogcijns, verkocht heeft aan Jan van den Plasche, schout van 's-Hertogenbosch. Met Gerardus dictus van der Aa de Boxtele et Gerardus dictus de Esghe junior. Datum feria sexta ante dominicam Invocavit, anno Domini MmoCCCmo undecimo. Camps, nummer 864.
Jan Wouter was in het bezit gekomen van de windmolen van Helvoirt. Dat was een kostbaar bezit. De molen was een dwangmolen (of banmolen). Dat betekende dat de hertog van Brabant bepaalde dat alle boeren uit de omgeving hun graan moesten laten malen op deze molen.
In de akte van 1311 werd de locatie omschreven als: "op die herstraet... met der hofstat ende den husekene dair neven". • De "herstraat" was de middeleeuwse benaming voor de grote doorgaande weg. In Helvoirt is dit de huidige Molenstraat / Torenstraat, de historische as van het dorp. De molen stond zeer dicht bij de oude dorpskern, omgeven door het molenaarshuis ("den husekene") waar de feitelijke molenaar woonde
Door de plotselinge dood van Johannes de Gheselle eind 1311 kwamen zware lasten door de erfdeling aan het licht. Zijn vrouw Bessela kon de Brockenhoeve niet meer redden en deed afstand van het vruchtgebruik.
o 1312 oktober 14 - 's-Hertogenbosch, Godshuizen, THG 77 Schepenen van 's-Hertogenbosch oorkonden dat Bessela weduwe van Johannes van Ghesele wegens schulden afstand heeft gedaan van haar tocht aan Gerardus van Esghe sr en Gerardus van der Aa van Boecstylle in de goederen in Udenhout naast de goederen van Johannes Stemple, poorter van Den Bosch, belast met de hertogcijns en een jaarlijkse erfpacht van 8 mud rogge Bossche maat aan Symon de Dyefhout, Bosch burger; en in alle goederen aldaar, die voorheen waren van Helewigis, moeder van Johannes van Ghesele, ook belast met de hertogcijns; deze goederen zijn naar schatting elk 16 bunder groot. Gerardus van Esghe sr en Gerardus van der Aa hebben deze goederen vervolgens verkocht voor 300 pond aan Ghibo Vette, poorter van Den Bosch, op voorwaarde, dat mocht de omvang anders zijn dan is opgegeven, dat zulks dan wordt verrekend; dat de verkopers het zullen laten inzaaien met winterzaad; het huis van wijlen Helewigis laten afbreken en Helewigis gen. Amme(?), die daar woont, zullen doen vertrekken. Datum anno Domini MmoCoCoCo duodecimo, sabbato post festum beati Dionisii martiris. Kappelhof, regest 77; Camps, nummer 884.
Bessela moest afstand doen van haar rechten op de goederen in Udenhout (aan de Hooghoutsestraat). De kopers braken het oude huis van de overleden moeder Helewigis af en zetten Helewigis gen. Amme op straat. De familie Brocken raakte hier inderdaad een groot deel van hun Udenhoutse en Gijzelse stamgrond kwijt aan Bossche investeerders (zoals Ghibo Vette) .
Maar de familie Brocken was niet failliet. Terwijl de tak van de overleden Johannes in Udenhout ten onder ging aan schulden, zijn kinderen Gerardus, Henricus en Arnoldus hun heil zochten in 's-Hertogenbosch, deed zijn broer Jan Wouterszn Broc (de molenaar) fantastische zaken
Dankzij de enorme inkomsten van deze dwangmolen werd Jan Wouterszn zeer vermogend. Met dit kapitaal had Jan Wouterszn Broc zo tussen 1313 en 1335 de verloren gegane gronden en de hoeve aan de Hooghoutsestraat teruggekocht of weer in handen gekregen van de Bossche burgers, want in 1338 en 1343 zien we namelijk dat hij (en later zijn weduwe Heilwich) weer de volledige zeggenschap had over de hoeve in Gijzel.
Op 26 april 1313 verkocht of schonk Johannes Wouterszoon Broc van Gestel een jaarrente (een jaarlijkse betaling of levering) aan Berthout Stempel, de man van zijn zus Aleijdis.
o 221. Archieftitel: Provinciaal Genootschap van Kunsten & Wetenschappen, charters, 1303 - 1845 Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) Akte, verleden voor Wellinus Hillezoon en Arnoldus Poeldonc, schepenen van 's-Hertogenbosch, waarbij Johannes Wouterszn Broc van Gestel verleent ten behoeve van Berthout Stempel, jaarrente van 1 mud rogge, 26 april 1313
Toch werden met de jaren de kosten op de hoeve zwaarder, zodat er een hypotheek moest komen.
o 220. 1338, 12 maart Vestiging erfpacht Woensel (?) Johannes gend. Broc van Ghesel heeft een erfpacht van 1 m. rogge gevestigd t.b.v. Jacobus van Zulikem. Zekerheid: zijn hoeve in Ghesel. Lasten: 2 ... (?). In dorso: tot Woensell. o 261. 1343, 22 januari Verkoop erfpacht Helvoirt-Gijzel. Jacobus van Zulikem heeft een erfpacht van 1 m. rogge verkocht aan Jacobus z.v. Yuwanus van Grave (DeGravia), procurator van de Tafel van H. Geest van Den Bosch. Zekerheid : de hoeve van Johannes gend. Broc in Ghesel.
Jan Wouter sloot een erfpacht af ten behoeve van Jacobus van Zulikem. Hij beloofde voortaan elk jaar 1 mud rogge te betalen in ruil voor een geldbedrag. Als onderpand gold de hoeve in Ghesel. Er rustte waarschijnlijk al lasten op, maar die waren in de akte niet meer leesbaar.
Vijf jaar later wilde Jacobus zijn jaarlijkse rogge-uitkering omzetten in contant geld en verkocht hij het recht aan een Bossche instelling de Tafel van de Heilige Geest. De koper was Jacobus Yuwanus van Grave. Voor Jan Wouter veranderde er weinig: zijn hoeve in Gijzel bleef het onderpand (Zekerheid), alleen moest hij zijn mud rogge vanaf nu niet meer aan Jacobus van Zulikem leveren, maar aan de armenkas van Den Bosch.
Eind 1342 overleed Jan Wouter. De kinderen uit zijn eerste huwelijk (Wouter, Henricus Snavel, Jan, Leonius en Heilwich) en zijn tweede vrouw Heilwich met haar kinderen (Mechtildis, Engelberna en de nog niet volwassen Arnoldus, Bela en Aleijdis) kregen te maken met de nalatenschap.
o Akte van overdracht, verleden voor schepenen van 's-Hertogenbosch 1343 nr 1111 Door Heilwich, weduwe van Jan Brocken, en haar kinderen Mechteld en Engelberna, en met toestemming van de andere kinderen, Hendrik, Wouter, Jan, Leonius en Heilwich (getrouwd met Franco van Helvort) aan Leonius van Erpe voor diens broer Petrus van Erpe van een jaarlijkse pacht van 3 mud rogge uit goed "Gheesel"en uit windmolens in Helvoirt, authentieke kopie van notaris P. Curtius uit 16e eeuw, 1343. .
In de akte ging het over een pacht uit het goed Gheesel. In het middeleeuwse recht was een "goed" vaak de grotere benaming voor het totale grondbezit waar de hoeve (de boerderij) onderdeel van uitmaakte.
Zijn weduwe Heilwich van Erpe en de zeven volwassen kinderen verkochten of droegen hier een jaarlijkse pacht van 3 mud rogge over aan Leonius van Erpe (ten behoeve van diens broer Petrus).
Als 'onderpand' of bron voor deze 3 mud rogge wezen zij hun goed in Gijzel en hun aandeel in de windmolens van Helvoirt aan. Dit betekende dat het goed in Gijzel nu nóg zwaarder belast werd: er rustte al 1 mud rogge op voor de Heilige Geesttafel en daar kwam nu deze 3 mud rogge bij. De familie Broc zette hun onroerend goed in Gijzel dus intensief in om aan kapitaal te komen of om oude schulden af te betalen na het overlijden van de vader.
Aleijdis Broc, de zus van Jan Wouter, had ook een erfdeel in de hoeve. Ook zij had problemen met de lasten.
o. cijnsboek van de hertog van de meierij van den Bosch 1340/1351 betreft plaats Helvoirt; 5 Aleydis dv Wotheris Brocken van Haseldonc, 3 nieuw penningen met bijschrift vacat. In de marge is aangetekend dat de cijns niet is betaald. 32 dezefde van het goed van Wolterus Brocken, 18 nieuwe penningen van Wedehout, later zijn weduwe, geen betalingen,bijschrift fol 105v, dezelfde Joannes genaamd Broc 18 nieuw peninngen van Wedehoit. plaats Oisterwijk 9 Aleydis Brocken bij Goerle 10 nieuwe penningen laatste betaling 1347.
Ze kon of wilde de 3 nieuwe penningen niet betalen. Ze had namenlijk ook nog een schuld voor het goed van haar vader, grond die bekend stond als Wedehout. Het ging hier om 18 nieuwe penningen. Ook Jan moest dit betalen, evenals later zijn weduwe Heilwich, maar ook zij betaalde niet.
Aleijdis laatste betaling van 10 penningen was in 1347 voor een stuk grond in de buurt van Goirle.
99. de erfgenamen van Ghibonis Vetten, 24 nieuwe schellingen, de helft van de cijns wordt betaald door de Heilige Geest (dimidietus census solvet Spiritus Sanctus), twee groten uitgezonderd, van de hoeve van Joannes van Ghesel. Later: de kinderen van Arts Bertensoen en Petrus Vet. Betaald 1340 t/m 1351
De Tafel van de Heilige Geest betaalde de helft van de cijns op de hoeve om hun investering veilig te stellen.
De erfgenamen van Ghibonis (Ghibon) Vetten waren blijkbaar de oorspronkelijke hoofdeigenaars of mede-gerechtigden van de cijns van 24 nieuwe schellingen.
De kinderen van Arts Bertensoen en Petrus Vet waren de latere eigenaren (na 1351) die het deel van de familie Vet/Vetten hadden overgenomen.
o. 318. 1349, 22 januari Verkoop goederen Gijzel-Oisterwijk Aleydis d.v.w. Woltherus gend. Brocken heeft een vijfde deel van alle goederen v.w. haar vader behalve het huis en erf in Ghezelein de parochie van Oisterwijc verkocht aan Henricus gend. van den Wande. Lasten: erfcijnzen van 15 oude Franse koningsgroten en een vijfde deel van van 7½ oude Fransekoningsgroten aan onbekenden. De monetaire frasering luidt: 'quindecim grossis antiquis turonensibus monete regis Francie ac quinta parte septem et dimidium grossorum turonensium antiquorum dicte monete annuatim'
Aleydis verkocht een vijfde deel (1/5e) van alle bezittingen die zij van haar overleden vader (Wouter Brocken) had geërfd. Maar de zin "behalve het huis en erf in Ghezel" gaf aan, dat zij alle losse stukken grond verkocht, maar dat de koper van het huis en erf in Gijzel moest afblijven. Dat was natuurlijk omdat de weduwe Heilwich van Jan Wouter hier nog woonde met een aantal kinderen. De hoeve was al zwaar belast met de roggepachten aan de armenzorg en aan Van Erpe.
In de middeleeuwen viel de buurtschap Gijzel (en destijds ook een deel van Helvoirt) onder de moederparochie van Oisterwijk. Er werd betaald met antiquis turonensibus of oude Franse koningsgroten (gros tournois), wat zilveren munten van de Franse koning waren, die in de 14e eeuw in heel West-Europees Brabant werden gebruikt als een soort 'harde valuta', omdat de lokale munten door inflatie vaak minder waard werden.
In 1349 is de verdeling van het familiebezit in volle gang. Terwijl de tak van Johannes (de weduwe en kinderen) probeerde te overleven op de hoeve in Gijzel, verkocht tante Aleydis al haar overige rechten op de gronden in de regio aan een buitenstaander (Henricus van den Wande) om van haar openstaande schulden af te komen.
Heilwich overleed en ARNOLDUS BROC nam als pachter de hoeve over.
Tien jaar later viel het bezit verder uiteen:
o“Zegerus zoon van Robbertus van Raemsdonc heeft verkocht aan Johannes van Zidewynden de helft van de goederen die hij met genoemde Johannes verkregen had van Gheyla. In dorso: de halve hoeve genaamd Brocken.” “Gheyla zuster van wijlen Zegeradis eerste echtgenote van wijlen Henricus Uten Waude heeft verkocht aan Johannes van Zidewynden, schoonzoon van wijlen Arnoldus de Porta en Zegerus zoon van Robbertus van Raemsdonc onder meer: (1) 1/5 deel van alle goederen van Wolterus Brocken; (2) een hofstad genaamd Riddershofstat in Ghesel; (3) 14 roeden land in een hof in de parochie Haaren in Ghesel; (4) 1? bunder beemd genaamd Oerterbroec tegenover de windmolen en wat land in de hoeve van Johannes van der Straten; (5) een erfcijns van 1? oude grote uit dat 1/5 deel van de goederen van Wolterus Brocken; (6) een erfcijns van 20 schellingen uit drie stukken land in Ghesel genaamd Nuwelant, die Hoeve en die Waterlaet; (7) de helft van een driessche in de parochie Haaren.” Oorkonde 1359 december 4 's-Hertogenbosch OAG THG Kappelhof THG, regest 463
De bezittingen kwamen bij nieuwe kopers terecht. Gheyla was de erfgename van haar zus Zegeradis, die getrouwd was met Henricus Uten Waude (mogelijk de Henricus van den Wande die in 1349 al een deel kocht).
Gheyla verkocht haar bezittingen gezamenlijk aan twee mannen: Johannes van Zidewynden en Zegerus van Raemsdonc. Wat zij aan hen verkocht, was een prachtige inventarisatie van het Brocken-erfgoed:
1. 1/5 deel van alle goederen van Wolterus Brocken: Dit was exact een zelfde plak van de erfenis als Aleydis in 1349 verkocht.
2. Een hofstad genaamd Riddershofstat in Ghesel: Een 'hofstad' was de grond waarop een voorname boerderij of herenhuis stond. De naam Riddershofstat suggereerde dat dit een zeer oude, statusrijke plek was in de buurtschap Gijzel.
3.Grond in parochie Haaren in Ghesel: De parochiegrenzen liepen destijds complex; Gijzel grensde direct aan Haaren.
4. ? bunder beemd genaamd Oerterbroec: Een beemd was laaggelegen, sappig grasland. Dit lag tegenover de windmolen. Dit was de windmolen van Helvoirt die we al in de akte van 1343 tegenkwamen!
5. Erfcijns uit het 1/5e deel: Er rustte nog een belasting op van oude grote (de Franse munten uit de vorige akte).
6. Erfcijns uit Nuwelant, die Hoeve en die Waterlaet: Dit waren de specifieke middeleeuwse veldnamen van de akkers en weiden die bij de hoeve hoorden. Die Waterlaet wees op een waterloop of afwateringssloot.
Zegerus van Raemsdonc verkocht zijn zojuist verkregen helft direct door aan zijn compagnon Johannes van Zidewynden. Johannes van Zidewynden werd hierdoor de volledige eigenaar van alles wat ze van Gheyla hebben gekocht.
Een latere archivaris had op de achterkant van de perkamenten akte geschreven: "de halve hoeve genaamd Brocken". Daasrom gingen deze gronden en cijnsen (inclusief het 1/5e deel) de geschiedenis in onder de naam de Brocken-hoeve.
Wat in 1313 begon als het trotse bezit van Johannes Wouterszoon Broc van Gestel, was na de crisis in de jaren 1340-1360 volledig uiteengevallen:
De familie Brocken was hun grip op het stamland kwijt.
De Tafel van de Heilige Geest van Den Bosch bezat inmiddels een groot deel van de rechten .
Johannes van Zidewynden (een rijke Bossche buitenpoorter of investeerder, getrouwd in de bekende Bossche familie De Porta / Van der Poorten) had de fysieke restanten van de hoeve, de Riddershofstat en de omliggende beemden bij de windmolen opgekocht.
Arnoldus, Broc, die de hoeve al jaren pachtte, deed in 1360 afstand van de hoeve.
Uitgifte erfpacht Brokkenhoeve Helvoirt
Johannes van Zidewynden schoonzoon van wijlen Arnoldus van der Poorten
aan: Johannes van den Bredeacker
van: de Brokkenhoeve in Helvoirt
voor: erfpacht 5 m. rogge, 6 kapoenen en 16 pond vlas tot de hekel bereid (HEKEL), de erop rustende herencijnzen en een erfcijns van 20 schelling oud geld aan de THG van Oisterwijk
lasten: zie boven
voorw: indien de erfpachter niet vóór Pasen betaalt -de betaaltermijn is Lichtmis- dan mag de verpachter de hoeve weer in eigendom nemen.
bijz.: de huidige pachter is Arnoldus Brocke; de hoeve is door Johannes verworven van de erfgenamen van Henricus uten Waude. (Erfpacht 1360 Tafels van de heilige Geest)
Johannes van Zidewynden was een rijke investeerder uit Den Bosch (schoonzoon van de bekende familie Van der Poorten / De Porta). Hij ging niet zelf met zijn voeten in de modder van Gijzel staan. Hij verpachtte de Brokkenhoeve aan een echte boer: Johannes van den Bredeacker.
Dit was een erfpacht: Van den Bredeacker kreeg het recht om de hoeve te gebruiken en te bewonen, en dit recht was overdraagbaar op zijn kinderen. In ruil daarvoor moest hij Johannes van Zidewynden en de heren elk jaar een stevige prijs betalen.
De betaling die de nieuwe boer elk jaar moest leveren was zeer gedetailleerd en typisch middeleeuws:
- 5 mud rogge: Dit was het basisvoedsel en de standaardvaluta voor pachten.
- 6 kapoenen: Dit waren gecastreerde en vetgemeste hanen. Dit was een traditionele luxe-levering rond de wintermaanden (vaak voor de pachtheer om op te eten).
- 16 pond vlas, tot de hekel bereid : Vlas werd gebruikt om linnen van te maken. "Tot de hekel bereid" betekende dat de boer het vlas al helemaal moest bewerken (kammen/hekelen) zodat de familie van Johannes van Zidewynden er direct garen van kon spinnen.
- 20 schellingen aan de THG van Oisterwijk:
Dit was de erfcijns uit de drie stukken land (Nuwelant, die Hoeve, die Waterlaet) De Tafel van de Heilige Geest (THG) had deze rechten dus nog steeds.
De officiële betaaldag was Lichtmis (2 februari). De grote investeerder Johannes van Zidewynden bouwde echter een strenge waarschuwing in: als de boer niet vóór Pasen (meestal april) had betaald, werd de erfpacht direct ongeldig. Johannes van Zidewynden mocht de hoeve dan direct weer afpakken zonder tussenkomst van een rechter. De laatste regels van dit regest bevatten de historisch meest waardevolle informatie:
"De huidige pachter is Arnoldus Brocke": Hoewel de familie Brocken (of Broc) de eigendomsrechten op hun stamhoeve door schulden volledig was kwijtgeraakt aan investeerders, woonde en werkte er in 1360 nog steeds een gezinslid op de hoeve! Arnoldus Brocke pachtte op dat moment zijn eigen ouderlijk huis van de nieuwe rijke eigenaren. In 1360 lost Johannes van den Bredeacker hem dus af.
In een tijdsbestek van 50 jaar was dit de opkomst, de financiële crisis, de totale versnippering en de uiteindelijke transformatie van de Brockenhoeve in Helvoirt-Gijzel.. Het veranderde van een trots eigen bezit van de familie Broc in een beleggingsobject voor de Bossche elite en de armenzorg, waarbij de familie Brocken uiteindelijk het veld moest ruimen voor een nieuwe boer (Van den Bredeacker).
Dan was er nog deze akte:
o 613. 1367, 12 augustus Betalingsbelofte na uitgifte erfpacht goederen Haren Gijzel Katerina van der Putte (DE PUTEO) en haar kinderen Henricus en Theodericus belooft te betalen aan: Henricus Snavel t.b.v. de kinderen v.w. Bertholdus Stempel wegens: een derde deel van de goederen v.w. Wolterus Broc in GHESEL voor: erfpacht 2 m
De erfenis van stamvader Wouter (Wolterus) Broc leidde nog steeds tot transacties onderling . De familie Stempel bezat nog rechten op dit goed .In de allereerste akte uit 26 april 1313 zagen we dat Johannes Wouterszoon Broc een jaarrente gaf aan Berthout Stempel. Nu, 54 jaar later, waren "de kinderen van wijlen Bertholdus Stempel" voor hun recht opgekoemen. De rente of de rechten die de familie Stempel destijds op het Broc-goed in Gijzel kreeg, waren dus generaties lang in hun familie gebleven. Henricus Snavel , de zoon van Jan Wouter Broc trad in deze akte op als hun zaakwaarnemer (ten behoeve van hen).
In 1359 zagen we dat er telkens 1/5e delen van de erfenis van Wouter Broc werden verkocht. In 1367 was er ineens sprake van een derde deel (1/3e) van de goederen. Dit betekende dat de familiebezittingen in de loop der jaren door vererving, huwelijken of eerdere verkopen nóg verder opgedeeld en opnieuw verdeeld waren geraakt onder de erfgenamen.
Katerina van der Putte (De Puteo in het Latijn) en haar twee zonen hadden dit specifieke 1/3e deel van het Broc-goed in Gijzel (Ghesel), hier vallend onder de parochie Haren) in erfpacht gekregen. Omdat zij dit in gebruik namen, deden zij een officiële belofte (betalingsbelofte) aan de vertegenwoordiger van de kinderen Stempel. Voortaan zouden zij hen elk jaar een erfpacht van 2 mud (m.) rogge betalen.
Dit document bewijst hoe complex middeleeuws grondbezit was. De 'Brockenhoeve' en de omliggende landerijen in Gijzel waren geen simpele eenheid. Het was een lappendeken van rechten geworden:
- Een deel was in handen van rijke Bossche burgers (Johannes van Zidewynden in 1360).
- Een deel werd geëxploiteerd door nieuwe boeren (Van den Bredeacker).
- Grote instellingen hieven er cijnzen op (De Heilige Geesttafel) .
- En kleinere plukjes (zoals dit 1/3e deel) werden door lokale families (Van der Putte) gepacht, waarbij de opbrengst (de 2 mud rogge) nog altijd naar de nazaten van de allereerste geldschieters uit 1313 (de kinderen Stempel) ging
Tenslotte werden de laatste rechten verkocht.
o BP 1176 f 365v 04 di 24-05-1384 Johannes zvw Bertholdus Stempel droeg over aan Johannes Spirinc zv Theodericus van Welle alle erfgoederen, die waren van wijlen zijn voornoemde vader Bertholdus en van zijn grootvader Wolterus gnd Broc, zowel onder Oisterwijk gelegen als onder Helvoirt, ter plaatse gnd Geselle, uitgezonderd voor voornoemde Johannes (1) een stuk land in Oisterwijk….
Johannes Stempel (de zoon van Akleijdis en Bertholdus Stempel) besloot in 1384 om al zijn resterende rechten op het Brocken-erfgoed definitief te verkopen.
Hij droeg het over aan Johannes Spirinc (zoon van Theodericus van Welle). De familie Spierinck was een zeer machtige en adellijke/patricische familie in de regio (bekend van Kasteel Nemerlaer in Haaren).
Alle erfgoederen die hij had geërfd van zijn vader Bertholdus én zijn grootvader Wouter Broc, gelegen onder Oisterwijk en Helvoirt in de buurtschap Gijzel (Geselle), verkocht hij.
Hij hield zelf nog één klein stukje land in Oisterwijk achter, maar de rest was nu definitief weg.
Willem den Brok, september 2026
Wil je terug naar: Verslag van de zoektocht naar mijn stamvader.
Terug naar: Voorouders. Genealogie door Willem den Brok
Maak jouw eigen website met JouwWeb